Klagen over de zorg voor de jeugd is inmiddels al even klassiek als klagen over de jeugd zelf. Is er er over beide onderwerpen wel zoveel te klagen? Over de jeugd in ieder geval steeds minder. Alle indicatoren die iets zeggen over hun welbevinden, hun (geestelijke) gezondheid, de criminaliteit, het middelengebruik en de schoolprestaties staan in het groen. Vrijwel alles wat te meten is laat een afname van problemen te zien. De media schilderen weliswaar traditiegetrouw een alarmerend beeld van zuipende, blowende, verwaarloosde of door en door verwende jongens en meisjes. De serieuze rapporten van de grote landelijke onderzoeksinstellingen en de GGD-monitoren laten iets heel anders zien. Van jeugdprofessionals mag je verwachten dat ze daar af en toe kennis van nemen. Helaas.

Hoe zit het dan met de zorg voor de jeugd? In de afgelopen 10 jaar werd geen enkele sector zo zwaar in de media bekritiseerd als de jeugdzorg. Belangrijkste problemen: zeer lange wachttijden, onoordeelkundig handelen, vaak ten onrechte ingrijpen in gezinnen en even vaak ten onrechte niet ingrijpen in gezinnen, geen samenwerking, veel bureaucratie, lange doorlooptijden en te weinig oog voor de veiligheid van kinderen. Dat is nogal wat. Doorgaans was de wat onwelriekende verdediging van de jeugdzorgmanagers dat hun mensen ‘hun stinkende best’ deden. Dat laatste klopte wel, maar was de kritiek daarmee niet terecht? Ik denk van wel. De kritiek was ook goed te onderbouwen. Zie de talloze rapportages over de wachtlijsten, doorlooptijden, het rapport van de Onderzoeksraad van de Veiligheid naar het overlijden van kinderen die in zorg waren, naar de alarmerende berichten over het ontbreken van zicht op effecten van de zorg enzovoorts. Merkwaardigerwijs leek de geleverde kritiek vooral te leiden tot een toename van het gebruik van zorg. Het aantal kinderen en jongeren in de  geïndiceerde zorg (o.a. Jeugdzorg, GGZ, LVG) verdubbelde in de 10 jaar voorafgaand aan de stelselherziening. De overheid bleef in die tijd de zorg honderden miljoenen toestoppen. Welke wonderlijke marketing mechanismes hier aan het werk waren heb ik nooit kunnen doorgronden.

Nu is er dan eindelijk een nieuw jeugdstelsel. En het klagen begint opnieuw. Terecht? Natuurlijk. Jeugdhulp is nooit genoeg, komt altijd te laat en past nooit precies bij wat burgers willen. Toch vind ik het geklaag minder terecht dan voorheen. Kan ik dat ergens op baseren? Ik denk het wel.  Op de eerste plaats is het geklaag niet gebaseerd op feiten. In het vorig stelsel was dat wel het geval. Er waren cijfers en onderzoeken. Die zijn in het nieuwe stelsel nog spaarzaam maar voor zover ze er zijn geven die geen reden tot pessimisme.

Tevreden burgers

Eén van de weinige grootschalige systematische studies liet de Kinderombudsman uitvoeren. Natuurlijk liep nog niet alles op rolletjes. Maar de burger is niet massaal geschokt door een kwaliteitsverlies. Verreweg de meeste cliënten waren tevreden of zeer tevreden over onderwerpen als: de tijd die de hulpverlener neemt, het inlevingsvermogen en de vriendelijkheid van de hulpverlener, de duidelijkheid of wat je verwachten kunt en de inspraak die men kreeg bij het bepalen van de hulp.

Wachten op hulp

Zo’n 10 jaar geleden deed ik onderzoek naar de wachttijden in een aantal provincies. Met verbijsterende resultaten. Zo verstreken tussen een aanmelding bij het Bureau Jeugdzorg en eerste screening in een provincie maar liefst 71 dagen. In een andere provincie nam een indicatiestelling gemiddeld 163 dagen in beslag. Daarna kon het nog maanden duren en feitelijk hulp kreeg. Door vele extra miljoenen voor de sector verbeterde de situatie wel wat. Toch waren er op 1 juli 2013 nog in totaal 2.536 jeugdigen die ná een indicatie langer dan 9 weken wachtten op jeugdzorg. In het nieuwe stelsel kreeg volgens het onderzoek van de Kinderombudsman 57% van de klanten meteen, zonder wachttijd,  hulp. Dat is in ieder geval voor deze tienduizenden burgers ongekend snel.

Dat de Kinderombudsman vervolgens in op het NOS journaal kwam verklaren dat kinderen de dupe werden van het nieuwe stelsel sloeg bij mij, op z’n Maastrichts gesproken het licht uit. Nergens in het rapport werd zo’n conclusie onderbouwd. Wel werd daar door hulpverleners in interviews over gespeculeerd in termen van als dit en als dat, ja dan krijgen kinderen misschien niet snel genoeg de goede hulp. Zonder verdere objectieve onderbouwing.

Werzkaamheid nieuwe stelsel

 Er is inmiddels al een één wetenschappelijk onderzoek afgesloten naar de effecten van de nieuwe werkwijze van het stelsel (‘wraparound care’) dat laat zien dat de resultaten van deze goedkope en relatief lichte hulp minstens even effectief en op sommige punten beter zijn dan de gespecialiseerde jeugdzorg van voorheen met een veel grote aantal kinderen in institutionele zorg. En mede daardoor zo’n 30% goedkoper.

Van allerlei kanten komen er daarnaast signalen dat er minder uit huis geplaatst wordt en dat er minder gebruik wordt gemaakt van gespecialiseerde zorg. Wat natuurlijk ook de bedoeling was.

Kritiek uit onverdachte hoek?

Deze veranderingen vallen kennelijk niet bij iedereen in goede aarde. De voorzieningen die deze gespecialiseerde hulp al jaren aanbieden roeren zich uiteraard. Hun goed recht. Maar minder fraai is d wijze waarop hun koepelorganisaties onder de noemer ‘Monitor Transitie Jeugd’ in de publiciteit treden met zwaar geschut tégen het nieuwe stelsel. Op de kanonskogel die vorige week van achter de indicatiegrens afgeschoten werd stond  ‘Ouders voelen zich niet gehoord door de gemeente’. Natuurlijk ga je (ik in ieder geval) kijken waarop die paniekerige boodschap gebaseerd is. Het bleek dat er 427 klachten en meldingen van burgers én professionals bij de koepelorganisaties terecht gekomen waren. De anonieme auteurs rapporteren dat de meest ernstige klachten gingen over het niet bekend maken dat een burger recht heeft op een onafhankelijke cliëntondersteuning, ontoereikende budgetten en problemen in de afstemming tussen instellingen. Iedere klacht is er één en moet serieus genomen worden, maar bij een kwart miljoen gebruikers van jeugdhulp (CBS cijfers) is een aantal van 427 van klanten én professionals in de startfase van een nieuw stelsel te overzien. Hieruit de conclusie trekken dat ouders zich niet door de gemeenten gehoord voelen deugt niet. Pijnlijk was het weer weer dat niet alleen een aantal media, maar ook het Nederlands Jeugdinstituut zo’n boodschap klakkeloos en enthousiast overneemt en ‘daar werk van maken’. Alsof het om een serieus onderzoek zou gaan.

U zult mij niet horen zeggen dat alles goed gaat in het nieuwe stelsel. Alles wat niet goed gaat mag gezegd worden. Maar laten we dan wel bij de feiten blijven. En ook met doel het huis van het nieuwe stelsel bewoonbaar te maken. Niet om het af te branden.